Ik had het over Rembrandt in mijn vorige stukje, althans over het verkopen van de Nachtwacht. Wist u toen Rembrandt in 1631 zijn intrek nam in Amsterdam, er 115.000 mensen woonden? De stad barstte letterlijk uit haar oude wallen, er werd aan alle kanten gebouwd: nieuwe grachten, nieuwe straten, stegen en duizenden huizen. Een rijke stad, jawel: voor de rijken. Vierduizend mensen hadden een vermogen van duizend gulden of meer. Daarbij was een schatrijke groep van honderd die meer dan honderdduizend gulden bezat, en ene koopman Jacop Poppen die wel een half miljoen gulden bezat.Maar ook in die tijd wist men belastingen te ontduiken of de overheid om de tuin te leiden. Er waren dus in werkelijkheid niet vier, maar wellicht tienduizend mensen die meer dan duizend gulden bezaten. Zelfs dan nog bleven er tienduizenden over die balanceerden op de rand van armoede: vandaag wat geld voor brood en bier, morgen bedelen.
En dat betekende voor velen: uitvaren met een schip naar Oost, Noord of West met de kans van één op acht om terug te komen van zo'n dikwijls jarenlange reis. En was degene die niet verdronken was, gesneuveld was, scheurbuik of syfilus had opgelopen, na terugkomst rijk? De reder-koopman of de schipper-koopman waren de mannen die de winst opstreken. De arme sloebers verdrongen zich dan opnieuw rondom de haven om voor een grijpstuiver weer voor maanden of jaren in te nauwe, stinkende ruimen mee te mogen varen.
Er vormde zich in die tijd al snel een stads-aristocratie, waarin de notabelen elkaar veelvuldig de bal toespeelden. Dat Amsterdamse patriciaat had de stad doorgaans goed bestuurd, maar het was verre van democratisch. Dat bestuur had de zorg voor de dikwijls vele honderden wezen en bejaarden. Het stadsbestuur richtte er grote huizen voor op, die door regenten werden bestuurd. Echter de wezen en bedeelden dienden in ootmoedige dankbaarheid steeds weer hun goedgeefse regenten te prijzen. Er heerste een strenge, van boven af opgelegde orde, al werd die in tijden van honger een enkele maal door opstootjes verstoord.
Op de nachtwacht staan zeventien schutters afgebeeld. Oorspronkelijk waren er negentien portretten op het schilderij te zien. In de achttiende werd links een strook met twee portretten van het schilderij weggesneden. Die schutters betaalden Rembrandt elk zo'n honderd gulden. De een wat meer, de ander wat minder, al naar gelang de plaats op het schuttersstuk. Rembrandt was een steenrijk man, maar hij had een foute zoon en Rembrandt kon niet goed met geld omgaan. Op zijn oude dag was hij alles kwijt wat hij bezat.
Ik zou ook wel een mooi schilderij kunnen maken om het dan voor heel veel geld te verkopen. Ik zou dan in Portugal gaan wonen in een gerieflijk, leuk gelegen huis. Bij dat huis laat ik dan een zwembad in de tuin aanleggen. Ik huur een tuinman om het gras te maaien en zo.
Er is echter een bezwaar: ik ben niet zo'n goede schilder.
Wurzala


